Naar content

Gips nader uitgelegd

Het gips dat in stucwerk wordt gebruikt, bestaat uit koolzuurhoudende kalksteen. Dit kalksteen werd gevormd van de Jura periode (200 miljoen jaar geleden) tot vroeg in de Krijt periode (100 miljoen jaar geleden). Door het relatief warmere klimaat destijds en de verschuiving van continenten droogde een aantal ondiepe zeeën op. De kalkachtige overblijfselen van zeedieren die in de loop van miljoenen jaren op de zeebodem waren verzameld, werden daarna langzaam maar zeker bedekt door andere bodemlagen en samengeperst tot wat nu beter bekend is als kalksteen of gips.

Gips is eigenlijk één van de drie verschijningsvormen van de stof calciumsulfaat (CaSO4), die in meer of mindere mate kristallen heeft gevormd met water (H2O). De meest waterhoudende variant van gips is calciumsulfaatdihydraat of CaSO42H2O. Daarnaast bestaan nog de "drogere" variant calciumsulfaathemihydraat (half hydraat) of 2CaSO4H2O en de watervrijve vorm, CaSO4, ook wel aangeduid als anhydriet.

Het percentage water dat in gipskristallen ligt opgesloten, bedraagt ongeveer 21%. Door gips te verhitten, wordt dit percentage sterk teruggebracht en ontstaat er anhydriet (bij hoge temperaturen) of hemihydraat (bij lagere temperaturen). Van zowel anhydriet als hemihydraat kan gipsmortel worden gemaakt door er water aan toe te voegen. Na verdamping van het overtollige water is de mortel weer terugveranderd in gips.

Gipsmortel gemaakt van anhydriet levert in principe het sterkste gips op. Dat neemt niet weg dat er ook soorten hemihydraat zijn (alfa hemihydraten) die ook een extreem sterk resultaat geven. Zo vertrouwen zelfs tandartsen op mortels bereid van hemihydraten bij het maken van kronen en bruggen. In de stucadoorswereld wordt zowel van anhydriet als van alfa hemihydraten gebruik gemaakt bij het bereiden van gipsmortels.

Naar bovenkant paginaNaar onderkant pagina